Les verbes irréguliers en -RE
rompre breken
indicatif présent   impératif   passé composé
je romps ik breek romps breek j' ai rompu ik heb gebroken
tu romps je breekt tu as rompu je hebt gebroken
il rompt hij breekt il a rompu hij heeft gebroken
elle ze breekt elle ze heeft gebroken
on men breekt on men heeft gebroken
nous rompons we breken rompons laten we breken nous avons rompu we hebben gebroken
vous rompez jullie breken / u breekt     rompez breek   vous avez rompu jullie hebben gebroken / u hebt gebroken
ils rompent ze breken ils ont rompu ze hebben gebroken
elles elles
indicatif imparfait   futur simple   conditionnel présent
je rompais ik brak je romprai ik zal breken je romprais ik zou breken
tu rompais je brak tu rompras je zult breken tu romprais je zou breken
il rompait hij brak il rompra hij zal breken il romprait hij zou breken
elle ze brak elle ze zal breken elle ze zou breken
on men brak on men zal breken on men zou breken
nous rompions we braken nous romprons we zullen breken nous romprions we zouden breken
vous rompiez jullie braken / u brak   vous romprez jullie zullen breken / u zult breken   vous rompriez jullie zouden breken / u zou breken
ils rompaient ze braken ils rompront ze zullen breken ils rompraient ze zouden breken
elles elles elles
se conjuguent de la même façon (worden op dezelfde manier vervoegd):
corrompre (bederven, omkopen), interrompre (onderbreken)