Les verbes irréguliers en -RE
prendre nemen
indicatif présent   impératif   passé composé
je prends ik neem prends neem j' ai pris ik heb genomen
tu prends je neemt tu as pris je hebt genomen
il prend hij neemt il a pris hij heeft genomen
elle ze neemt elle ze heeft genomen
on men neemt on men heeft genomen
nous prenons we nemen prenons laten we nemen nous avons pris we hebben genomen
vous prenez jullie nemen / u neemt     prenez neem   vous avez pris jullie hebben genomen / u hebt genomen
ils prennent ze nemen ils ont pris ze hebben genomen
elles elles
indicatif imparfait   futur simple   conditionnel présent
je prenais ik nam je prendrai ik zal nemen je prendrais ik zou nemen
tu prenais je nam tu prendras je zult nemen tu prendrais je zou nemen
il prenait hij nam il prendra hij zal nemen il prendrait hij zou nemen
elle ze nam elle ze zal nemen elle ze zou nemen
on men nam on men zal nemen on men zou nemen
nous prenions we namen nous prendrons we zullen nemen nous prendrions we zouden nemen
vous preniez jullie namen / u nam   vous prendrez jullie zullen nemen / u zult nemen   vous prendriez jullie zouden nemen / u zou nemen
ils prenaient ze namen ils prendront ze zullen nemen ils prendraient ze zouden nemen
elles elles elles
se conjuguent de la même façon (worden op dezelfde manier vervoegd):
apprendre (leren), comprendre (begrijpen, bevatten, omvatten), entreprendre (ondernemen) ,reprendre (hernemen), surprendre (verrassen)