Les verbes irréguliers en -NDRE
craindre vrezen
indicatif présent   impératif   passé composé
je crains ik vrees crains vrees j' ai craint ik heb gevreesd
tu crains je vreest tu as craint je hebt gevreesd
il craint hij vreest il a craint hij heeft gevreesd
elle ze vreest elle ze heeft gevreesd
on men vreest on men heeft gevreesd
nous craignons we vrezen craignons laten we vrezen nous avons craint we hebben gevreesd
vous craignez jullie vrezen / u vreest     craignez vrees   vous avez craint jullie hebben gevreesd / u hebt gevreesd
ils craignent ze vrezen ils ont craint ze hebben gevreesd
elles elles
indicatif imparfait   futur simple   conditionnel présent
je craignais ik vreesde je craindrai ik zal vrezen je craindrais ik zou vrezen
tu craignais je vreesde tu craindras je zult vrezen tu craindrais je zou vrezen
il craignait hij vreesde il craindra hij zal vrezen il craindrait hij zou vrezen
elle ze vreesde elle ze zal vrezen elle ze zou vrezen
on men vreesde on men zal vrezen on men zou vrezen
nous craignions we vreesden nous craindrons we zullen vrezen nous craindrions we zouden vrezen
vous craigniez jullie vreesden / u vreesde   vous craindrez jullie zullen vrezen / u zult vrezen   vous craindriez jullie zouden vrezen / u zou vrezen
ils craignaient ze vreesden ils craindront ze zullen vrezen ils craindraient ze zouden vrezen
elles elles elles
se conjuguent de la même façon (worden op dezelfde manier vervoegd):
atteindre (bereiken), contraindre (dwingen), éteindre (doven), joindre (samenvoegen), plaindre (klagen), se plaindre *(zich beklagen), peindre (schilderen)