Les verbes irréguliers en -RE
coudre naaien
indicatif présent   impératif   passé composé
je couds ik naai couds naai j' ai cousu ik heb genaaid
tu couds je naait tu as cousu je hebt genaaid
il coud hij naait il a cousu hij heeft genaaid
elle ze naait elle ze heeft genaaid
on men naait on men heeft genaaid
nous cousons we naaien cousons laten we naaien nous avons cousu we hebben genaaid
vous cousez jullie naaien / u naait     cousez naai   vous avez cousu jullie hebben genaaid / u hebt genaaid
ils cousent ze naaien ils ont cousu ze hebben genaaid
elles elles
indicatif imparfait   futur simple   conditionnel présent
je cousais ik naaide je coudrai ik zal naaien je coudrais ik zou naaien
tu cousais je naaide tu coudras je zult naaien tu coudrais je zou naaien
il cousait hij naaide il coudra hij zal naaien il coudrait hij zou naaien
elle ze naaide elle ze zal naaien elle ze zou naaien
on men naaide on men zal naaien on men zou naaien
nous cousions we naaiden nous coudrons we zullen naaien nous coudrions we zouden naaien
vous cousiez jullie naaiden / u naaide   vous coudrez jullie zullen naaien / u zult naaien   vous coudriez jullie zouden naaien / u zou naaien
ils cousaient ze naaiden ils coudront ze zullen naaien ils coudraient ze zouden naaien
elles elles elles