Le verbe VIVRE

Cliquez ici pour voir le tableau de conjugaison.

Complétez les cadres. Cliquez ensuite sur "correction".

Conjuguez.



vivre


leven
indicatif présent impératif passé composé
je
ik leef
leef j'
ik heb geleefd
tu
je leeft tu
je hebt geleefd
il
hij leeft il
hij heeft geleefd
elle ze leeft elle ze heeft geleefd
on men leeft on men heeft geleefd
nous
we leven
laten we leven nous
we hebben geleefd
vous
jullie leven / u leeft  
leef vous
jullie hebben geleefd / u hebt geleefd
ils
ze leven ils
ze hebben geleefd
elles elles
indicatif imparfait futur simple conditionnel présent
je
ik leefde je
ik zal leven je
ik zou leven
tu
je leefde tu
je zult leven tu
je zou leven
il hij leefde il hij zal leven il
hij zou leven
elle ze leefde elle ze zal leven elle ze zou leven
on men leefde on men zal leven on men zou leven
nous
we leefden nous
we zullen leven nous
we zouden leven
vous
jullie leefden / u leefde vous
jullie zullen leven / u zult leven vous
jullie zouden leven / u zou leven
ils
ze leefden ils
ze zullen leven ils
ze zouden leven
elles elles elles