Le verbe CRAINDRE

Cliquez ici pour voir le tableau de conjugaison.

Complétez les cadres. Cliquez ensuite sur "correction".

Conjuguez.



craindre


vrezen
indicatif présent impératif passé composé
je
ik vrees
vrees j'
ik heb gevreesd
tu
je vreest tu
je hebt gevreesd
il
hij vreest il
hij heeft gevreesd
elle ze vreest elle ze heeft gevreesd
on men vreest on men heeft gevreesd
nous
we vrezen
laten we vrezen nous
we hebben gevreesd
vous
jullie vrezen / u vreest  
vrees vous
jullie hebben gevreesd / u hebt gevreesd
ils
ze vrezen ils
ze hebben gevreesd
elles elles
indicatif imparfait futur simple conditionnel présent
je
ik vreesde je
ik zal vrezen je
ik zou vrezen
tu
je vreesde tu
je zult vrezen tu
je zou vrezen
il hij vreesde il hij zal vrezen il
hij zou vrezen
elle ze vreesde elle ze zal vrezen elle ze zou vrezen
on men vreesde on men zal vrezen on men zou vrezen
nous
we vreesden nous
we zullen vrezen nous
we zouden vrezen
vous
jullie vreesden / u vreesde vous
jullie zullen vrezen / u zult vrezen vous
jullie zouden vrezen / u zou vrezen
ils
ze vreesden ils
ze zullen vrezen ils
ze zouden vrezen
elles elles elles